In december 1698 verklaarde Johan Albert Bouwens van der Boye, baron van Neeryssche en heer van Venray, zich bereid tot de bouw van een kapel in de buurtschap Smakt. De voorwaarden, waaronder de stichting plaatsvond, werden vastgelegd in een overeenkomst met de pastoor van de St. Petrusbandenparochie, gedateerd 7 oktober 1699. Korte tijd later gaf de bisschop van Roermond zijn goedkeuring.

Het belangrijkste motief voor de bouw van de kapel was de grote afstand van Smakt tot de parochiekerk in Venray-dorp. Een eigen kapel stelde een deel van de inwoners in staat tot het bijwonen van de vroegmis. Na hun thuiskomst konden de overige huisbewoners vervolgens op tijd naar Venray afreizen voor de hoogmis. Behalve het opdragen van de vroegmis was de bedienaar van de kapel verplicht tot het geven van godsdienstonderwijs. Aan deze verplichting is de anekdote verbonden dat de baron tijdens een wandeltocht een scheper ontmoette in de heide op de Büs (een veldnaam voor een klein gebied ten zuiden van Smakt) en hem de vraag stelde hoeveel goden er waren. Daarop antwoordde de scheper verbaasd: ‘Goden? Op de Bus wonen geen goden’.

De bedienaar van de kapel, meestal vicaris of rector genoemd, mocht in de kapel alleen een vroegmis houden en de catechesatie verzorgen. Alle andere taken op het gebied van de zielzorg waren voorbehouden aan de pastoor van Venray. Met toestemming van de pastoor van Vierlingsbeek mochten ook de inwoners van Holthees gebruik maken van de kapel. Voor het Land van Cuijk, onderdeel van de Brabantse Generaliteitslanden, gold vanaf 1648 een verbod op de openbare uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst. In het aangrenzende Overkwartier van Gelre, waar dit verbod niet gold, bouwden de katholieken van Vierlingsbeek in 1656 een schuurkerk, toegewijd aan de H. Lucia. Bewoners van Holthees konden vanaf 1699 terecht in de kapel van Smakt, die op korte afstand van de schuurkerk lag.

De toewijding van de kapel aan St. Jozef wordt meestal in verband gebracht met de bloei van Jozefdevotie in Spanje. In 1678 wijdde koning Karel II het Spaanse rijk aan St. Jozef toe. Tot de Spaanse bezittingen behoorde op dat moment ook de heerlijkheid Venray in het Overkwartier van Gelre.

St. Jozefkapel interieur

Over het gebouw.
St. Jozef Kapel. Eenbeukig gebouw met driezijdige sluiting, een gezwenkte façade en open klokke spitsje op het dak; oostelijk gedeelte 1699, westelijk gedeelte 1860, gerestaureerd na de tweede wereldoorlog. Tot de inventaris behoren o.a. een houten altaar met barokke retabel van omstreeks 1700, twee paar kerkbanken, XVIII, een crucifix, circa 1700, de houten beelden van de H.H. Jozef, Laurentius en Lucia, XVIIIa. In de zijgevel wapensteen van Johan Albert Bouwens van der Boyen en Maria Amalia van Gelder-Arcen. Deze wapens ook boven het hoofdaltaar. Klokkenstoel met klok van anonieme gieter, 1700, diameter 37 cm.

St. Jozefkapel exterieur